Nasi kornet speciaal

Op familiebezoek

“Is iedereen klaar?” vraagt mijn vader voor de derde keer.
“Ja, een tijdje al,” antwoord mijn moeder, “het wachten is op jou hoor.”
Ietwat geërgerd kijkt hij mijn moeder even aan, dan draait hij zich om en loopt de keuken in. Hij gaat nog even controleren of het gas echt wel uit is, en ook de keukendeur moet nog even gecheckt. O, en nog maar even een slokje water dan. Mijn moeder heeft er genoeg van en loodst ons naar buiten. “Die vader van jullie…” verzucht ze.
Vandaag gaan wij voor het eerst met de nieuwe auto op reis en iedereen is een beetje zenuwachtig. Mijn vader het meest, denk ik.

Een maand eerder waren wij met z’n allen bij een dealer langsgegaan want mijn ouders wilden een auto. Onze eerste. Ik vond het prachtig want we mochten overal in. De grootste auto die ik kon vinden was mijn favoriet, alles was elektrisch en op de snelheidsmeter stond dat ‘ie wel 200 kon! Ik vond ‘m prachtig, wat mij betreft werd het deze.

Mijn vader loopt samen met een verkoper langs mijn luxe slee. Ik zit op de bestuurdersstoel en doe mijn raampje omlaag, ‘zzzzzzzzzzzz’ gaat ‘ie. “Pap, deze!” roep ik. Mijn vader bekijkt de auto en zegt dan, zuinig lachend: “Haha, neu, deze is te groot jongen.”
“Ja maar wij groeien nog hartstikke veel,” zeg ik, doelend op mijn zusjes en ik. Maar mijn argument overtuigt niet, hij loopt al door naar een andere auto.

Even later komt mijn moeder mij halen, met tegenzin laat ik me van de stoel glijden en loop haar achterna. Ze blijft staan bij een auto waarvan de linker portier open staat, aan de andere kant van de auto zijn mijn vader en de verkoper druk in gesprek. “Ga eens achterin zitten,” commandeert ze. Mijn zusjes zitten al op de achterbank en onmiddellijk komt er ruzie want geen van ons wil in het midden. Mijn jongere zusje delft het onderspit, logisch want zij is nog geen meter hoog. Mokkend zit ze naast mij, ‘stomme auto,’ mompelt ze. Ik ben ’t met haar eens, ik vind ‘m ook niks. “Deze heeft maar twee deuren!” roep ik verontwaardigd, “en het raampje kan niet eens open.”

Diezelfde auto staat nu bij ons thuis voor de deur. Niks is elektrisch en met debiele achterraampjes dus. ‘Trek maar aan die hendel, dan kun je ‘m zo naar buiten klappen,’ had de verkoper nog uitgelegd, maar ik vind dat dat niet telt. Een auto met zolderraampjes achterin, wie koopt nou zoiets.

Het is zaterdagochtend half tien en wij staan op het punt om te vertrekken. De zon schijnt en op de radio hadden ze gezegd dat het dit hele weekend droog zou blijven, gelukkig maar want ik vind autorijden in de regen helemaal niks. Mijn moeder, mijn zusjes en ik zitten al in de auto. Mijn vader is nog altijd niet klaar met wat hij ook aan het doen is, dus moeten wij wachten. Het is jammer dat mijn moeder geen rijbewijs heeft want zij kan tenminste opschieten, zij is niet van de firma Keutelaar. Maar ja, als je elke keer tijdens je rijexamen de examinator de stuipen op het lijf jaagt, is de kans op een rijbewijs nul komma nul.

Eindelijk zie ik mijn vader de voordeur uitkomen, hij heeft zijn autorijhandschoenen al aan, spiksplinternieuwe bruine, leren exemplaren met uitsparingen voor de knokkels en verder overal kleine gaatjes. Het ziet er stoer uit, ik wil ze later ook, maar dan liever in het zwart.

“Hebben we alles?” vraagt mijn vader wanneer hij in de auto zit.
“Ja Arie, we hebben alles, plus de rest,” antwoord mijn moeder.
Hij werpt een schuine blik naar achteren, “alles goed achterin?”
“Neeeeee,” roepen wij in koor.
“Goed zo,” zegt hij terwijl hij zijn gordel vastklikt.
En dan volgt het ritueel van Het Starten Van De Auto.

De sleutel wordt plechtig uit een leren hoesje gehaald en even omhoog gehouden opdat wij ‘m allemaal kunnen bewonderen. “Hahahai,” zegt mijn vader erbij. Het hoesje wordt vervolgens opgevouwen en dichtgeklikt door middel van een drukknoopje. Zolang wij in de stad rijden, zal dat hoesje, het zit met een metalen ringetje vast aan de autosleutel, gaan schommelen als een idioot. Nog een mazzel dat er niks aan de achteruitkijkspiegel hangt want ik word helemaal gek van wiebelende en schommelende dingen in de auto.

De sleutel wordt in het contact gestoken maar nog niet helemaal omgedraaid, eerst wordt er aan het stuur gedraaid want het zal toch mijn vader niet overkomen dat hij de enige auto ter wereld heeft waarvan het stuurslot actief blijft nadat het contact is ingeschakeld. Dan wordt de positie van de versnellingspook gecontroleerd. Eerst trapt mijn vader omzichtig het koppelingspedaal in, hij kijkt zelfs even naar zijn linkervoet of die wel goed zit, en vervolgens duwt hij met zijn handpalm de versnellingspook een paar keer naar links en rechts, even checken of ‘ie wel echt in z’n vrij staat.

De motor wordt gestart. Aandachtig luistert mijn vader naar het geluid en na ongeveer 15 tellen heeft hij besloten dat alles in orde is want hij knikt goedkeurend. Ik vraag me af of hij echt kan horen of er iets mis is, ja, misschien als de motor het geluid maakt van een blender vol spijkers.

Dan is de handrem aan de beurt, de hendel wordt ietsje omhoog getrokken, knopje wordt ingedrukt en de hendel wordt naar beneden geduwd tot ‘ie niet verder kan. Als laatste gaat de versnelling in z’n 1, maar mijn vader is er niet helemaal zeker van of dat wel in een keer goed ging en middels enkele repeterende handelingen vergewist hij zich ervan dat ‘ie in z’n 1 en niet in z’n 2, 3 of 4 zit, of, God verhoede, in z’n achteruit.

De spanning wordt mijn moeder inmiddels teveel. “Gaan we vandaag nog, Arie?” informeert ze, haar toon is luchtig want wee je gebeente als je de chauffeur al te zeer verstoort, dan moet alles weer van voren af aan. Wij op de achterbank geven geen kik, bijna met ingehouden adem volgen wij de schier eindeloze verrichtingen.

Mijn vader geeft gas en het geluid van de motor zwelt aan – ‘mijn god, wij stijgen op’, denk ik – en halleluja, een wonder geschiedt, de auto komt in beweging. Hij schokt een beetje, maar we gaan voorwaarts. Ook schakelen naar de tweede versnelling verloopt zonder problemen, naar z’n 3 ook. En dan zijn we bij de oprit van de snelweg, als mijn vader het nou maar voor elkaar krijgt om hier op een gegeven moment in z’n 4 terecht te komen, zitten we voor de rest van de reis goed. En afgaande op zijn zithouding – niet meer als op een keukenstoel – lijkt hij inmiddels ietsje meer ontspannen. “Pepermuntje iemand?” vraagt hij opgewekt.

Wij zijn een klein half uur onderweg en hebben net de afslag Apeldoorn genomen. Mijn kleine zusje en ik zijn auto’s aan het tellen, zij de rode en ik de blauwe. Dit spelletje loopt vaak uit op ruzie want ik ben kleurenblind, weliswaar niet 100 procent, maar sommige kleuren lijken wel erg veel op elkaar.
“Jij speelt vals,” roept mijn kleine zusje boos.
“Wat nou vals?” vraag ik beledigd, “dat is een blauwe, die mag ik tellen.”
“Groen, sukkel! Die is groen!”
“Mam, welke kleur is die auto?” Ik wijs naar een auto die inmiddels naast ons rijdt.
“Groen.”
Triomfantelijk kijkt mijn kleine zusje mij aan terwijl ik overweeg om de spelregels aan te passen. En dan zegt mijn grote zus ineens, met een dun stemmetje: “Ik ben een beetje misselijk…”

Ik zie mijn vader verkrampen, zijn handen schieten subiet in de starre ’10 voor 2’ stuurgrip, zijn knokkels wit. Maar hij reageert verder niet. Mijn moeder draait zich half om en vraagt mijn zus of het erg is. Mijn zus, haar gezicht bleekjes, knikt van ja.
“Zie, daar heb je het al, als het raampje nou normaal open had gekund, kon ze even met haar hoofd naar buiten. Maar ja.” Ik maak de zin niet af, het is denk ik wel duidelijk wat ik ermee bedoel. “Joedi…,” waarschuwt mijn moeder en houdt haar wijsvinger even voor mijn gezicht.
“Ja,” zegt ze, “doe het raampje anders even open.”
Mijn zus klapt het raampje open.
“En als ze nu moet spugen, zit alles onder,” zeg ik.
“Wat?!” bemoeit mijn vader zich er nu ook mee, “moet ze overgeven?”
“Let jij nou maar op de weg,” en dan tegen mijn zus, “moeten we even stoppen?”
Maar mijn vader luistert niet naar mijn moeder en gaat verder met z’n commentaar, “Hebben we geen zakjes om in over te geven of zo?”
“We zijn geen vliegtuig Arie, zoek jij nou maar een plek om te stoppen.”
“Stoppen? Ik kan toch niet zomaar stoppen!”
“Dat zeg ik toch ook niet, stop maar gewoon bij het eerste de beste bezinestation.”

Uiteraard is er geen benzinestation te zien. Ook geen bord met een aankondiging. Het is even muisstil in de auto. Zelfs het hoesje van de autosleutel hangt stil.
“Zeven,” telt mijn kleine zusje onverstoorbaar door. Ik sla er geen acht op.
Vanuit mijn ooghoek zie ik dat wij langzaam maar zeker worden ingehaald door een trein. Ik kijk naar rechts en zie de intercity Amersfoort – Enschede voorbij zoeven.
“Kijk,” zeg ik, “onze trein. Hij gaat harder dan wij pap. Gas d’r bij!”
Maar zo is mijn vader niet, geen gekke dingen op de snelweg. Of waar dan ook.
En dan verdwijnt de trein uit beeld. Ik adem tegen mijn raampje en teken er een sippe smiley op.

Tien minuten zijn voorbij gegaan wanneer er eindelijk een benzinestation gloort.
“Hier eraf dan maar?” stelt mijn vader voor, hij wijst even naar het bord langs de snelweg waarop staat dat er over 5 kilometer een tankstation van de Esso is.

Even later staan wij stil, mijn moeder is met mijn zus mee naar de toiletten. Ik vraag me af of je op commando kunt overgeven, of wat je sowieso kunt doen om misselijkheid op te laten houden. Ik besluit om het straks aan mijn zus te vragen. Er hoeft niet getankt te worden want dat had mijn vader een dag eerder al gedaan. Jammer, kan ik niet naar het driftig draaiende propellertje kijken dat in het kijkglas aan de zijkant van de pomp zit. En niet tanken betekent ook geen kans op een gratis sticker. Dubbele pech.

De rest van reis verloopt zonder noemenswaardigheden en ongeveer een uur nadat wij van huis zijn vertrokken, rijden wij de straat in van mijn oma in Twello.

Oma Twello is de kleinste vrouw die ik ken. Dat komt goed uit, dat ze klein is bedoel ik, want haar huis is niet zo groot. Maar eigenlijk is haar huis dan toch wel groot omdat zij zo klein is. Alles is betrekkelijk, weet ik.

Een van de dochters van mijn oma woont hier ook, Tante Mien, een vreselijk lieve tante. Ze zit altijd aan je te plukken, maar niet op een vervelende manier. Ze knijpt in ieder geval nooit in je wang.
Er is geen opa in Twello, jammer genoeg. Hij is achtergebleven in Indië, vermoord door de kutjap. Ik ben er vreselijk kwaad om en ik weet zeker dat ik dat de rest van mijn leven ook zal blijven.

Mijn oma maakt altijd even wat eten voor mijn vader, niet veel, gewoon een hapje, beetje kip met rijst en zo. Wij mogen ook wel wat, als we willen, maar het is beter van niet, tenzij je zin hebt om  een half uur aan de kraan te hangen. Dus wij eten snacks, die zijn veilig. In de woonkamer ruikt het trouwens altijd naar snacks, een beetje de geur van rempejek. Lekker.

Mijn oma praat veel met haar zoon, vaak in het Javaans omdat dat voor haar makkelijker is. Wij hebben geen idee waar die gesprekken over gaan en misschien is dat ook wel de bedoeling. Mijn moeder vindt het in ieder geval geen probleem want zij zegt er nooit iets van. Overigens is het hier in de keuken van oma Twello waar mijn moeder heeft geleerd hoe je nasi goreng met corned beef moet maken. Toch heeft ze kans gezien om haar versie van de nasi kornet beduidend anders te laten smaken. Hoe dan.

Wat echt helemaal magisch is, is dat oma Twello een sleutel heeft van de plaatselijke speeltuin. En het is nog dichtbij ook, aan het einde van de straat. Op zaterdag en zondag is ‘ie dicht, maar niet voor ons dus. Wat een feest! Mijn kleine zusje wil het liefst op de wipwap. Glijbaan ook leuk, maar wel eng hoog. Net als alle voorgaande keren rent zij dus gelijk naar een wipwap.

Ze gaat zitten en roept mij. Eigenlijk heb ik geen zin in de wipwap, maar ik ga niet moeilijk doen.
“Je weet dat dat niet gaat he?” vraag ik haar terwijl ik mijn zitje van de wipwap naar beneden haal.
“Jewel, dat kan wel!”
Zij heeft ongelijk want zij is veel te licht. Het is jammer dat eigenwijzigheid niets weegt want dan was ze beduidend zwaarder geweest. Ik ben gaan zitten en grijp de handvatten. Zusje hangt nu in de lucht. Verwachtingsvol kijkt ze mij aan maar natuurlijk gebeurt er niks.
“Jij moet omhooooooog!” roept ze.
Ik trek mezelf stevig tegen de zitting aan, zet me af zo hard als ik kan en ga ongeveer dertig centimeter de lucht in, dan klap ik weer terug op de autoband, ‘pok’ zegt ‘ie.
“Nóg een keertje!” roept zusje, ontevreden met het resultaat.
Ik probeer het nog een keer, maar ook nu met hetzelfde resultaat. ‘Pok.’
Vragend kijk ik schuin naar boven. Zusje trappelt driftig met haar beentjes, “ik moet naar beneeeeeee!”
“Dat kan nieeeeeeet, jij bent te licht.”
“Kan wél!”
“Ja, later, als je een dikke pantat hebt.”
Dan geeft ze het op, “ik wil eraf.”
Ik stap af en laat haar zachtjes landen, haar autoband hoor je niet.
“Zie, kan niet.”
Haar gezicht betrekt, lip wordt lang. Ik haal m’n schouders op, “kan niet,” zeg ik nog maar eens. Dan wijst ze naar het draaiplateau, “Die doen!” Haar toon maakt duidelijk dat er niet over te onderhandelen valt. Nou, okee, dan draai ik haar wel hartstikke duizelig.

Een uurtje later worden wij opgetrommeld want we gaan alweer weg, kennelijk blijven we dit keer niet slapen. De volgende stop is maar een klein stukje rijden: Deventer. Wij gaan naar een andere zus van mijn vader, Tante Corrie, daar is het ook leuk. Tante Corrie is getrouwd met oom Theo, ik vind ze  allebei reuze aardig. En elke keer als wij er zijn, worden er kokoskoekjes gebakken.
“Hondekoekjes ja, Joedi?” vraagt ze dan. Ze worden gemaakt van oud brood en klapper en ik mag er zoveel als ik wil. Vaak wordt er ook warm gegeten, rijst natuurlijk, met van alles veel.

Nog voordat het donker is, vertrekken wij uit Deventer want wij moeten nog naar Hengelooooo. Daar wonen de ouders van mijn moeder. Ook haar zus en broer trouwens. Bij oma Hengelo krijgen mijn zusjes en ik altijd cola met koffiemelk. Of slappe koffie met Buisman en verse, opgewarmde melk als je wil. En altijd zijn er roomboterkoekjes en mierzoete schuimkoekjes in allerlei kleurtjes. Gatver.

Opa Hengelo maakt speelgoed voor ons. Het allermooiste dat hij ooit gemaakt heeft, zijn kleine, bewerkte tolletjes van glanzend metaal. Als je er goed in bent, doen ze het wel 2 minuten voordat ze omvallen. Ik heb er een stuk of wat en op school hebben ze zelfs al geld geboden.

Warm eten bij Oma Hengelo vereist dat je van vlees met veel vet houdt, soms is het zelfs vet met hier en daar vlees eraan. Het is altijd draadjesvlees trouwens, iets dat ik eigenlijk wel lekker vind. Maar dat vet! Ik gruwel ervan en geef het liefst mijn portie aan Lex, de hapgrage herdershond van de buren. Het toetje is altijd rijstepap en dat wordt zo, ‘flup’, op het bord geschept waar je net van gegeten hebt. Dus je eet dan rijstepap met schraapseltjes aardappel en jus. Erg apart.

Er is niet veel te doen op straat, niks eigenlijk. Geen jongens die mee willen voetballen. Saai dus. Een buurmeisje wil altijd wel meedoen, maar hee, kom op zeg, meisjes. De kinderen van de zus en broer van mijn moeder zijn veel jonger dan ik, reuze schattig allemaal, maar daar kun je dus echt niet mee spelen. Geef zo’n klein kind de bal maar eens, die krijg je gewoon nooit meer terug. Dus komt er een moment dat je ‘m rücksichtslos uit die mollige handjes moet trekken en dan is het krijsen geblazen. Nou-nou-nou, wat een lol.

Waar ik wél goed mee kan spelen is neef Ronald – hij is niet mijn echte neef, maar dat maakt natuurlijk niets uit. Wat wel een beetje jammer is, is dat hij he-le-maal aan de andere kant van de stad woont, daar waar wij ook gewoond hebben voordat we naar Utrecht verhuisden. Ik mag er niet in m’n eentje naartoe – waarschijnlijk verdwaal ik – dus moet ik maar hopen dat er iemand mee wil. Gelukkig wil mijn moeder dit keer wel mee. Voor de zekerheid belt zij eerst even met de moeder van Ronald om te vragen of ze überhaupt wel thuis zijn.

Het is zondagochtend en ook vandaag is het een mooie dag. Wij hebben bij oma en opa Hengeloooo geslapen en al vroeg ontbeten. Mijn moeder en ik zijn op weg neef Ronald, dat wil zeggen, ík ben op weg naar hem, mijn moeder is op weg naar zijn moeder. Ik ben dubbel blij, want deze zondag hoeven wij niet naar de kerk, vandaag heb ik vrij van God.

De straat ziet er nog precies zo uit als toen ik er woonde, boompjes aan weerszijden, kleine tuintjes met stugge struikjes voor de portieken, en de flats nog even grauw. Hier op de stoep, vlak voor onze portiek, kreeg ik jaren geleden ruzie met een overbuurjongetje. Hij sloeg mij op een gegeven moment met zijn metalen speelgoedharkje keihard op mijn hoofd. Toen ben ik racend op mijn driewielertje, harkje muurvast in mijn bloedende schedel, er vandoor gepeddeld met dat imbecieltje achter mij aan rennend: “Geef terug die hark! Die is van mij, hoor je!”

Het weerzien met Ronald is een groot feest want wij zijn nog steeds de beste maatjes ook al woon ik ver weg. Zijn moeder is druk bezig in de keuken. “Ik maak perkedel voor jou,” zegt ze tegen mij, ik ben enthousiast en knik, dan kijkt ze mijn moeder aan, “voor jou ook hoor.” Lachend gaat ze verder met kneden en kruiden van het gehakt.

Ronald en ik zijn naar buiten gegaan om te voetballen. Op het grasveld achter de flat schoppen wij de bal naar elkaar toe. De kunst is om de bal maar één keer te raken en dat valt niet mee. Voor Ronald valt het niet mee omdat de techniek hem in de steek laat en voor mij valt het niet mee omdat Ronald niet echt goed is in mikken. Zijn schoten gaan werkelijk alle kanten op, de helft van de tijd ben ik druk bezig om achter de bal aan te hollen. Maar wij vermaken ons kostelijk en hebben regelmatig de slappe lach als hij weer eens een mispeer aflevert of finaal over de bal heen maait.

En daar is ineens een jongen, verkleed als ridder, hij is van onze leeftijd, schat ik, en in eerste instantie denk ik dat hij komt vragen of hij mee mag doen. Hij loopt op Ronald af maar tot mijn verbazing geeft hij hem ineens een keiharde duw. Ronald tuimelt naar achteren en valt op de grond. Zittend kijkt hij met grote ogen eerst naar de jongen en vervolgens naar mij. ‘Help.’ zegt zijn blik.

Ik bedenk mij geen moment en ren op de jongen af, hij heeft mij niet in de gaten want zijn aandacht is volledig op mijn neef gericht. En dan ‘Bwak!’ beuk ik hem met mijn schouder in zijn rug. Hij vliegt naar voren terwijl zijn kop naar achteren klapt. Een paar passen verderop komt hij tot stilstand en draait zich om. Hij wrijft in zijn nek en kijkt mij met een scheef gehouden hoofd aan. “Nog zo eeeentje,” zegt hij met een dik Twents accent.

Hij heeft een groot wit shirt aan met lange mouwen. Op zijn borst is een groot, rood kruis getekend. Een houten zwaard steekt achter een brede riem die strak om zijn middel zit. Onder het grote shirt draagt hij een dikke, zwarte maillot, veel meisjes uit mijn klas dragen ze ook. Ik moet er, ondanks de situatie, om lachen.

Hij kijkt mij vuil aan. Langzaam trekt hij zijn zwaard uit de riem en wijst ermee naar mij.
“Jij,” zegt hij dreigend, “jij krijgt klapp’n.”
“Van jou zeker,” schamper ik.

Om zijn woorden kracht bij te zetten, smijt hij zijn zwaard naar mij. Ik stap snel iets opzij en het schampt de zijkant van mijn bovenbeen, een bloedende schram achterlatend. En dan komt Ivanhoe op mij af, armen gestrekt voor zich uit, vingers gespreid. Ik wacht tot hij vlak voor mij is en grijp hem met beide handen bij zijn rechterarm. Bijna tegelijkertijd draai ik mij half om en vang zijn lichaam op met de rechterkant van mijn rug. Vervolgens maak ik mij iets kleiner en trek hem aan zijn arm over mijn schouder, mijn bovenlichaam gebruikend als hefboom. Ivanhoe vliegt even door de lucht en komt dan met een doffe klap op de grond terecht. Ik laat me bovenop hem vallen en in no time heb ik hem in een houdgreep. Heel even overweeg ik om een verwurging toe te passen, maar Jan Snijders, mijn Judoleraar in Utrecht heeft ons op het hart om zulke technieken uitsluitend bij hem op de mat te gebruiken en nooit op straat. Te gevaarlijk.

Een houdgreep dus, het gezicht van Ivanhoe is nu vlakbij de mijne. Ik zie en hoor dat hij moeite heeft om op adem te komen want alle lucht is in één klap uit z’n longen geperst bij het neerkomen.

In het hoofd van Ivanhoe worden nu 3 prangende vragen behandeld:

1) hoe kom ik zo snel mogelijk aan zuurstof
2) wat is er precies gebeurd
3) wie is die idioot die bovenop mij ligt

Terwijl zijn grijze massa druk aan het processen is, kleurt zijn gezicht langzaam rood. Ik heb echter geen medelijden en knijp nog even iets harder, ik zal hem wel even laten voelen dat hij niet moet kutten met mijn neef. Hij draait nu met zijn ogen en er klinkt een akelig reuteltje in zijn keel.

Net als ik mij afvraag of hij nou echt kan stikken, voel ik een hand op mijn schouder. Ik kijk op en herken mijn oude buurman, hij heeft net als mijn vader bij de marine gezeten en komt ook uit Indië. Rudy heet hij.

“Genoeg toch zo, Joedi,” zegt hij met vet Indische tongval, “laat maar leven, deze.”
Met tegenzin laat ik los en sta op, even verderop zie ik het zwaard, het steekt schuin in de grond. Ik stap op Ronald af en vraag of hij okee is. Hij steekt zijn duim op en grijnst van oor tot oor.
Onze ridder is inmiddels ook opgekrabbeld, hij kijkt wat versuft om zich heen en wankelt hoestend richting nieuwbouwwijk, groene vlekken op zijn rug verraden zijn smadelijke nederlaag. Zijn zwaard laat hij voor wat het is.

Ronald en ik zitten zwijgend tegenover elkaar op het gras. De buurman is verdwenen, evenals een paar nieuwsgierige buurvrouwen en wat kindjes. In gedachten spelen wij de film van het hele gedoe nog even af, de titel zie ik al voor me ‘Heibel in Honoloeloe Hengelo.’  Ineens begint Ronald te glunderen, alsof hem iets geweldigs te binnen schiet. Ik sta op het punt om te vragen wat er zo leuk is, maar dan wijst hij naar achter mij.
“Kijk dan!,” zegt hij opgewonden.
Ik had mij al omgedraaid en zie twee meisjes onze kant op komen lopen.
“Wie zijn dat?” wil ik weten.
“Geen idee, ik ken ze alleen van gezicht, ze wonen in die rijtjeshuizen. Oooooh, die komen voor jou hoor!”

“Jij hebt met Harry gevochten,” zegt een van de meisjes nadat ze bij ons is aangekomen. Het is geen vraag, eerder een vaststelling. Haar vriendinnetje kijkt mij onderzoekend aan. Ik zit nog altijd op de grond en kijk omhoog. Voordat ik kan reageren, zegt mijn neef: “Nou en of,” hij buigt voorover en mept mij op m’n schouder. “Mijn neef,” voegt hij er trots aan toe.

“Ik ben Paula…” Ik heb het idee dat er nog iets achteraan gaat komen maar ze aarzelt. Haar vingers plukken aan haar donkere haren en ze kijkt even naar iets in de verte. Dan haalt ze diep adem, kijkt mij aan met een ernstige blik in haar ogen en vraagt: “…wil je verkering?”

*

Indisch spreekwoord zegt: ‘Beter een cowboy zonder paard, dan een ridder zonder zwaard.’


Goed, hier dan het recept…

Nasi kornet speciaal

Ingrediënten
450 gram pandanrijst
blikje corned beef
sperzieboontjes (ik heb een zak van 500 gram gebruikt)
waspenen (je hebt 100 gram in strips gesneden nodig)
2 rode lomboks
ca 80 gram prei
125 gram gerookte spekjes
2 eetlepels ketjap manis (van kaki tiga!)
3 eetlepels ketjap asin (van ABC!)
2 eetlepels ketchup (Heinz)
6 gram gula djawa (van een schijf)
1 blokje kipbouillon van Maggi (‘minder zout, meer kruiden’)
3 eitjes (kijk JC, nu staat het ook hier)

Boemboe
50 gram gepelde sjalot
4 teentjes knoflook
4 gram trassie
2 theelepels kentjoer
1 theelepel djahe
kwart theelepel ketoembar
halve theelepel zout
1 eetlepel sambal brandal
2 cabe rawit merah (rode rawitjes)
5 eetlepels water

Stap 1
Altijd wanneer je gekookte/gestoomde rijst wil gaan bakken, moet je ervoor zorgen dat die rijst helemaal afgekoeld is tot koud. Het beste kook/stoom je de rijst een dag van tevoren.
En bij dit recept ga je de rijst bakken, dus als je dit recept vandaag gaat maken, moet je gisteren de rijst koken.

Overigens, ik gebruik altijd pandan rijst (van XO) die ik vóór gebruik even was met koud water:
ik gooi de rijst in een pan die ik vervolgens vul met koud water. Daarna roer ik de rijst gedurende een minuut met een spatel (linksom roeren, rechtsom roeren, linksom roeren, gewoon een beetje een golfslagbadje maken). Vervolgens kieper ik de rijst in een vergiet, minuutje uitlekken en pas dan ga ik de rijst koken/stomen.

En laat ik het niet merken dat je basmati rijst gebruikt! (Ga dan lekker Indiaas koken, als je per se basmati wil.)

Stap 2
Boontjes klein snijden en (beetgaar) koken in 500 ml water met daarin een verkruimeld blokje kipbouillon. Daarna ca 5 minuten laten uitlekken in een zeef en vervolgens in een bak met keukenpapier mieteren. Voor de duidelijkheid, je hebt 200 gram nodig, de rest kan je aan je papegaai voeren als je wil. Of konijn. Hudde-hudde.

Ik zal je, ik ben er nou toch, even vertellen hoe ik ’t doe:

pan vullen met 500 ml koud water
verkruimeld blokje kipbouillon erin
boontjes erbij
pan op de op een na grootste pit, gas aan, deksel op de pan
zodra het water kookt gas op laag en deksel schuin op de pan
7 minuten zachtjes laten koken
na die 7 minuten alles in een vergiet gooien en 5 minuten laten uitlekken
grote bak vullen met 3 velletjes keukenpapier en daar 200 gram boontjes op kieperen

Stap 3, snijwerk en zo
– Snij 80 gram prei in ringetjes en daarna snij je de ringetjes in kleinere stukjes.
– De wortels in strips snijden (soms ben ik lui, dan rasp ik ze). Je hebt 100 gram nodig.
– Verse lomboks eerst even een minuut in kokend water dompelen, afspoelen met koud water en vervolgens in ringetjes snijden.


Wortelstrips zijn knapperiger dan wortelrasp, je moet ze alleen niet te dun snijden.


Twee kleingesneden, rode pepers.

Stap 4
Pak een kommetje en doe er het volgende in:

2 eetlepels ketjap manis (ketjap manis van kaki tiga)
3 eetlepels ketjap asin (ketjap asin van ABC)
2 eetlepels ketchup (Heinz)
6 gram fijngehakte gula djawa (gula djawa van een schijf)

Roeren, 30 tellen in de magnetron, weer even roeren en wegzetten.


Deze heb ik gebruikt: ketjap asin van ABC en ketjap manis van kaki tiga.

Nota bene: je mag gerust andere ketjap gebruiken als je dat per se wil, maar dan smaakt jouw nasi kornet speciaal anders dan de mijne.

Stap 5
Alles voor de boemboe fijnmalen in de blender.

Stap 6
Zet de wadjan op de grootste pit, verhit 3 eetlepels olie en bak de gerookte spekjes, maar ze mogen niet knapperig worden. Knip ze, zodra dat kan, iets kleiner en gooi vervolgens de boemboe erbij. Gedurende 3 minuten bakken en voorkom dat de boel wild gaat spetteren. Regelmatig roeren en omscheppen.

Na die 3 minuten voeg je de corned beef toe, klein hakken met de spatel en omscheppen en pletten en omscheppen totdat je een egale massa hebt. Dan de ketjap/ketchup/gula djawa-zooi uit dat kommetje toevoegen, alsmaar omscheppen en laat de hele bende een beetje droger worden en voeg dan de (gekookte/gestoomde en volledig afgekoelde) rijst toe.


Boemboe met ketjap en kornet: dit is nog te nat, de rijst kan er nog niet bij.


Kijk, mooi droog zo met de rijst net toegevoegd.

Gas op hoog nu en regelmatig omscheppen gedurende ca 4 minuten. Daarna gas op laag en 3 eitjes er bovenop kwakken, omscheppen en omscheppen en omscheppen totdat al het ei gestold is
(ik gooi de eitjes in een bakje, zout en versgemalen peper en een klein beetje kentjoer erbij, klutsen en dan over de rijst).
Daarna de prei (80 gram) erbij, omscheppen, dan de wortel (100 gram) erbij, omscheppen, dan de lombok (2 stuks) erbij, omscheppen, en tot slot de boentjies (200 gram) erbij, omscheppen. Klaar. Gas uit.

Serveren met gebakken (spiegel) eitje met daarop een beetje zout en versgemalen peper. En de fles ketjap asin hoort er ook bij, op tafel.


Speciaal voor de foto heb ik het gebakken eitje even weggelaten.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

2 reacties

  1. Nasi kornet speciaal voor de eerste keer. Het was lekker. Wat heet lekker.
    Ik heb niet helemaal jou weg kunnen volgen dus smaakte waarschijnlijk (wel zeker) iets anders. Ik had geen rawit , lomboks en djahe.
    Die eitjes erin kwakken vond ik wel spannend, maar toch gedaan. Top.
    Halverwege bij het aanbraden van de kornet kreeg ik een visioen van “De gebakken marinier”. Misschien bekend bij u, voor mij een hoogtepunt van het Marine-eten.
    http://www.deoudnaut.nl/recept/gebakken%20marinier.htm
    Ik ga meer van je recepten doen, maar eerst naar de toko toe.
    Verder leuke verhalen schijf je er bij.